|
|
||||||||
|
Magda van der Ende Kabbala De joodse mystieke traditie, de
kabbala, geeft antwoorden op de vraag 'wat is de mens?' die veelomvattend
en dragend zijn. De kabbala geeft instrumenten om de ziel te ontdekken en
te voeden. Het is een beproefd, niet confessioneel, objectief filosofisch
systeem dat wijsheid en inzichten aanreikt, waarmee de mens, de wereld, en
God in een heldere relatie tot elkaar gezet worden. Lichamelijkheid, de
natuur, emoties, geestelijke ervaringen en het verstand krijgen een eigen
plek in het geheel. Vaardigheden op alle niveaus worden aangesproken: denk
na, voel, ervaar, observeer, analyseer, trek conclusies, met andere
woorden: ga en leer! Het woord kabbala wordt in de twaalfde, dertiende eeuw voor het eerst gebruikt. Het is de tijd waarin in de Provence en Noord Spanje de Zohar samengesteld wordt, een van de klassieke werken van de kabbala. De Zohar (schittering) is een mystiek commentaar op de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse bijbel. In de vorm van gesprekken tussen rabbijnen en hun leerlingen worden bijbelteksten uitgelegd. Aan de hand van een psalmvers, een citaat uit Hooglied of uit Job worden de boeken Genesis tot en met Deuteronomium kabbalistisch verklaard. Regelmatig is er sprake van vervoering door de diepte van de uitleg. Er worden als het ware vensters geopend naar diepere lagen van de werkelijkheid. Het samen lezen, studeren doet de teksten oplichten, schitteren, en die glans raakt tot diep in de ziel. De waarde van historische gedeeltes van de bijbel of van bijbelse aanwijzingen voor juist menselijk gedrag wordt niet weggepoetst, maar er wordt een andere dimensie aan toe gevoegd: die van de begeestering, van de stilte achter de woorden. De Zohar is niet het eerste
klassieke werk. Er was al het Boek van Vorming, het Sefer Jetzira, waarvan
tussen de tweede en zesde eeuw fragmenten gevonden werden. En nog later de
Bahir (straling), dat voor het eerst in de twaalfde eeuw verscheen, maar
al langer voorhanden was in verschillende manuscripten Van het begin van
onze jaartelling stamt de merkawamystiek, de meditatietechniek van de
psyche die als een voertuig opstijgt, naar analogie van het visioen van de
profeet Ezechiël. Tijdens de bloeiperiode van de kabbala in Spanje maakt
de inquisitie een einde aan de vruchtbare uitwisseling tussen joden,
christenen en moslims aldaar. Safed in Noord Israël wordt het nieuwe
centrum van de kabbala, met rabbijnen van naam als Cordovero, Alkabetz,
Luria. Daarna volgt in de achttiende eeuw de periode van het Chassidisme,
met de Baäl Sjem Tov, meester van de goede naam, als inspirator. In het
midden van de vorige eeuw begint er een opleving van de belangstelling
voor de kabbala. De klassieke werken worden opnieuw uitgegeven en van
eigentijds commentaar voorzien. De levensboom De term is, zoals de meeste
termen uit de kabbala, ontleend aan de bijbel. In Genesis 1 wordt 'de boom
des levens' vermeld. Er wordt ook wel gezegd 'ladder van Jacob', op basis
van Genesis 28, waar Jacob een ladder op de aarde ziet staan die tot de
hemel reikt en waarlangs wezens omhoog gaan en neerdalen. In het
scheppingverhaal staat, dat God de mens schiep naar zijn beeld, naar zijn
gelijkenis. In de traditie van de kabbala is dit 'beeld Gods' uitgewerkt
tot het model van de levensboom. Er wordt als volgt gezegd: God was God en
Al Een. Het Absolute Niets, het Absolute Al. God wenste God te zien. God
trok zich samen en maakte een vacuüm, waarin het goddelijke licht
instroomde. God reflecteerde zich als het ware als in een spiegel. De
eerste reflectie van God wordt Adam Kadmon genoemd, de oer Adam, het
oerbeeld van het goddelijke, nog dicht naast het goddelijke gelegen maar
al uitgevloeid daaruit. Uit die eerste reflectie vloeit de tweede voort,
de wereld van schepping, van de eindeloze mogelijkheden, van de
mogelijkheid van dualiteit, van de wereld van de geest. Daaruit stroomt de
wereld van de vormen, de Hof van Eden, het paradijs, waar mannelijk en
vrouwelijk van elkaar gescheiden worden. De vierde en laatste uitvloeiing
is die in de materie, de stof, het fysieke, de dichtste energie als
eindstadium van het proces. Genesis en Exodus Het boek Genesis verhaalt over
de indaling van de mens tot in Egypte. Anders gezegd, de indaling van elke
ziel in de stof. Het goddelijke licht wordt omhuld, ingepakt. Naarmate een
mens door opvoeding en omgeving meer aangepast raakt aan de materie,
krijgt de goddelijke vonk het benauwder. Door de geboorte van Mozes, een
ontwakend bewustzijn, wordt de benauwdheid sterker ervaren. Op het moment
dat de ziel, het volk, het uitschreeuwt van de inperkingen, is Mozes daar
om het volk uit Egypte te leiden. In het leven van een individu kan dat
gebeuren in de vorm van een ingrijpende, wakkerschuddende ervaring die
duidelijk maakt dat er meer is tussen hemel en aarde dan de zorg voor je
fysieke omgeving, meer dan alleen het vegetatieve leven. Op de levensboom
wordt deze ervaring genoemd 'het gaan over de drempel van bewustwording'.
Er is geen weg meer terug. Als je eenmaal weet, dan kun je wel proberen
dat weg te duwen, maar vergeten zul je het nooit. Deze ervaring wordt in
Exodus beschreven als de doortocht door de Rode zee. Na de doortocht, een
sprong in bewustzijn, begint de spirituele training. Het leren van
discipline staat centraal, evenals het leren vertrouwen op hulp. Op
gezette tijden wordt er gerust; hemels voedsel, manna, ofwel spirituele
voeding moet met mate genoten worden, omdat er tijd nodig is om het te
verteren en eigen te maken. Schrokkenbrokken eten zichzelf een oordeel. Te
veel ineens consumeren is zowel voor het lichaam als voor de geest niet
goed. Het leidt tot onevenwichtigheid, in je lichaam, je psyche, of in je
levensboom. Geestelijke training staat dus niet los van het dagelijks
leven, het een beïnvloedt het ander. De wil is van belang om de aandacht te leren richten. In de verhalen over de woestijn, wordt met alle vallen en opstaan, de wil van het volk geoefend. Hoe zwaar en moeizaam dat is, wordt duidelijk doordat, op twee na, geen van de oorspronkelijke Hebreeërs, die weg trokken uit Egypte, het beloofde land bereikt. In psychologische termen wordt hier beschreven, dat je, om tot een toestand van verlichting te komen, alles wat je aan ballast bij je draagt, af moet leggen. Daar is bereidheid voor nodig, en een wilsbesluit. Jezus verwees hiernaar toen hij sprak over de moeite om door het oog van de naald te gaan. Zo nauw is de doorgang, dat je heel veel, zelfs alles, achter je moet laten. Voor iemand die in het bezit meent te zijn van veel kostbare verworvenheden is dat veel moeilijker dan voor iemand die 'arm van geest' is. Anders gezegd: per definitie kunnen gedachten, beelden, emotionele complexen niet door het oog van de naald, omdat het de toegang tot de wereld van de geest is, een wereld waar geen scheiding is, geen dualiteit, maar ongedeelde stilte, rust. De kabbala gebruikt de levensboom als oermodel voor al wat is. Het wordt wel het kosmisch DNA genoemd. De mens is geschapen naar Gods beeld, en vormt een eigen levensboom. Een boom kan scheef groeien, er ontstaan noesten, littekens van afgebroken takken. Een boom kan in de loop van het leven uit balans raken. Het steeds maar uit balans blijven kost veel energie, het betekent lijden. Soms is een chirurgische ingreep nodig om de scheefgroei tegen te gaan. Dat kan gebeuren door een schokkende gebeurtenis, door het beleven van diepe vreugde of diep verdriet, door het zien, heel even, van een dooraderde hand, door de stilte in een bos, door een golf van herkenning door één zin in een boek. Of door een flits van helder inzicht. Zulke ervaringen geven de moed om een nieuwe draai aan het leven te geven. Kennis van de werking van de levensboom kan ondersteunend zijn in het zien en helen van de eigen scheefgroei. Door oefeningen en meditaties aan de hand van de levensboom kan er inzicht verkregen worden in het eigen functioneren. Net als bij andere scholingswegen, wordt er in de traditie van de kabbala in groepen gewerkt. Wat er in een groep gebeurt, kan werken als een spiegel van de eigen ziel. Begeleiding door een leraar kan de zich ontwikkelende mens behoeden voor uitglijders. Iemand kan er voor gewaarschuwd worden een enkele mooie ervaring te verabsoluteren. Een glimp van het licht zien kan leiden tot spirituele arrogantie. Een leraar kan een dergelijke ervaring duiden en op waarde schatten. Soms is de ervaring te gekleurd door eigen wensdromen om van meer dan persoonlijk belang te zijn. Een andere keer blijft iemand in 'het voelt zo goed' hangen. Dat is mooi, maar dat is het doel niet van al het innerlijk werk. Het ervaren en kennen van de ziel is geen doel op zich. Het is van belang om een individu, letterlijk een 'ongedeeld' mens, te worden, ofwel: een mens uit één stuk dat met de wil de psychische bewegingen aan kan sturen. Een mens uit één stuk dat verantwoordelijkheidvoor het eigen leven neemt, en niet uit is op macht of op voortdurend slachtofferschap of wat dan ook. Wat is de mens? God wenst God te zien. De mens
is in deze traditie de partner van God. De mens kan als het ware God
tegemoet komen door de eigen afdruk van Gods beeld zo helder en zuiver
mogelijk te maken. Hoe lichter de verpakking, des te meer reflecteren we
het licht dat in ons verborgen ligt. God kijkt door onze ogen. De mens is
de lens waardoor God kijkt. Hoe scherper de mens gefocussed is, des te
scherper ziet God. Dit artikel verscheen in het
Dabar bericht 3.2004 Bart Carmeliet Beste toehoorders, Gezellen van het Licht, Zoals sommigen onder u wellicht weten, ben ik in het gewone, alledaagse leven jurist, een man van het recht die ijvert voor rechtvaardigheid - ‘het recht op een vaardige wijze uitoefenen’ -, binnen het juiste evenwicht tussen Gevurah (Gestrengheid) en Hesed (Mededogen), in verbinding met Tiferet (Waarheid) : vanuit de zieletriade begeesterd leven. Zo werd me telkenmale in meditaties het inzicht aangereikt dat vertrouwen (Hesed) en moed (Gevurah) de sleutelwoorden zijn voor een spiritueel doordrenkte levenswijze : de sleutels die de toegang voor de psyche ontsluiten tot Tiferet - ‘DE PAREL VAN ESSENTIE’ (De ‘parel van onschatbare waarde’) en - zoals we deze voormiddag konden ervaren - kan men van daaruit verder via een VERTICALE ZUIL VAN LICHT ‘vervoerd’ worden tot het ultieme Licht van Ein Sof Or. Zo ziet men dat meditaties echte ‘eye openers’ zijn, waardoor met het sterke oog (‘the strong eye’) van de ziener kan geschouwd worden. Zo kreeg ik zeer onlangs nog in een meditatie volgende inspiratie door : “De psyche is een wonderlijk raderwerk in verbinding met Mijn Majesteit (d.i. de Goddelijke Majesteit van het Licht van Ein Sof Or). Vertrouwen is alles wat een mens nodig heeft. Het is een alomvattend vermogen en het is daarvan dat de mens moet gebruik maken, niet van zijn verstand - want dat is te beperkt.” Vertrouwen is een brug : ‘de
brug van vertrouwen’. Inderdaad, diep in het
onbewuste, heeft elk individu (via Daat van psyche) contact met de
spirituele dimensie en verder. Vertrouwen is de brug. Maar daarvoor moet de mens eerst de moed opbrengen om door de zwarte, duistere lagen heen te boren van zijn schaduw. In dit verband werd mij,
eveneens via een meditatie, het waardevolle inzicht aangereikt om de
verticale zuil van licht (die voert naar het Licht van Ein Sof Or)
horizontaal aan te wenden - zoals een laserstraal - bij het doorboren van
de duistere, zoals in een ui opeenliggende lagen van de schaduw, totdat je
uiteindelijk bij je Godskern uitkomt, waardoor je licht volop kan schijnen
en je ware talenten - die bij de meeste mensen sluimeren - ten volle
kunnen ontplooien. Dit alles is zeer persoonlijk te
duiden, want ikzelf ben nu volop bezig met ‘regressie’ als
blootleggingstechniek van de schaduw. De ervaringen die ik daardoor
meemaak zijn intens en diepdoordringend. Dit alles aanpakken en
overwinnen is een serieuze, niet te onderschatten uitdaging die alle
krachten in je mobiliseert om toch maar door te gaan, in het besef dat het
unieke dat de mens te zijner beschikking staat - nl. zijn licht -
uiteindelijk zal doorbreken. Nelson Mandela heeft overmaat van gelijk door te verkondigen dat een mens in feite bang is van zijn eigen licht, omdat de mens, enerzijds, de moed moet opbrengen ‘aan den lijve’ de confrontatie aan te gaan met al te levensechte, bezwarende emoties - waarvan hij alleen maar wil weghollen omdat ze te ‘confronterend’ zijn - en, anderzijds, omdat dit eigen licht van een totaal andere dimensie en totaal andere kracht is die een doorsnee massa-mens zich moeilijk kan voorstellen, men schrikt er eigenlijk voor terug. In zijn inaugurale rede van 1994 sprak Nelson Mandela de volgende woorden uit : “Onze diepste angst is niet dat we ontoereikend zijn. Onze diepste angst is dat we oneindig krachtig zijn. Het is ONS LICHT, niet onze duisternis, waar we het allerbangst voor zijn. We vragen ons af : wie ben ik dat ik briljant, buitengewoon aantrekkelijk, getalenteerd en geweldig zou zijn ? Maar waarom eigenlijk niet ? Je
bent toch een kind van God ? Er is niets verheffends aan je
kleiner voor te doen dan je bent, Wij zijn geboren om de luister
van God uit te dragen die in ons woont. Als wij ONS LICHT laten
schijnen, Als wij bevrijd zijn van onze
eigen angst, De inspiratie die mij zeer onlangs werd ingeblazen sluit hierbij wonderwel goed aan : “De mens moet van de onderschatting van zijn EIGEN LICHT af geraken, want dit houdt hem klein als een lilliputterje en verhindert hem uit te groeien tot de grootse geest die hij behoort te zijn en in feite is. Het duistere hindert hem al te zeer. De mens moet doordringen in het
duistere; Hij wordt er meteen door verlicht. Het duistere wordt alzo - wanneer men erin doordringt - de aanwijzer van de grootsheid van de mens, van zijn Goddelijke oorsprong en potentie. Denk aan de doordringende ZUIL VAN LICHT.” En ik kreeg op het einde van mijn meditatie nog de doorzinderende boodschap : “Een mens is een groots wezen : er worden van hem grootse dingen verwacht. Het is dan toch maar een kleine - maar niet te onderschatten - inspanning om door de duistere lagen heen te boren. Ik help je toch de hele tijd. Vertrouw toch op Mij, want ik
wil ‘gerealiseerd’ worden : Mij is het evenzeer erom gelegen
al het jij om jezelf gelegen is. De mens is mijn speerpunt : dit
mag niet bot en krachteloos zijn. Overtuig hen van HUN LICHT. Te samen zijn we onoverwinnelijk.” Om dus niet bot en krachteloos te zijn, maar integendeel scherp en krachtig, moet men de uitdaging aangaan en de confrontatie met je eigen schaduw en met de duistere wezens die ons belagen en testen als we doordringen in de schaduw-wereld. Eerst en vooral ‘de schaduw’. Het pad dat loopt van Yesod naar Tiferet (van het ‘ego’ naar het ‘Zelf’) is het pad van de ‘Zadek’ : het pad dat de rechtschapen mens gaat. Dit pad wordt aangeduid met het Hebreeuwse woord ‘Tsade’, dat naast de gebruikelijke vertaling ‘rechtschapenheid’, ook de betekenis heeft van ‘degene die op de loer ligt’, waarmee men uiteraard de schaduw bedoelt, de duistere, sinistere zijde van de psyche, een gemene vijand, die opzettelijk het 'Zelf’ verduistert - zoals bij een zonne-eclips de maan de zon verduistert -, om te beletten dat het ‘ego’ (Yesod) de verbinding aangaat met het ‘Zelf’ (Tiferet). De schaduw bevat eigenlijk wat door het Yesod/ego-bewustzijn onderdrukt is als onaanvaardbaar, wat nochtans keer op keer tevoorschijn komt in onbewust gedrag. Ondanks de onderdrukking, is de invloed dus onmiskenbaar. Dat kan ook niet anders, als men weet dat men met een archetype te maken heeft. Hetgeen onderdrukt wordt zijn
erg onplezierige, negatieve, zelfs traumatische ervaringen die, gezien hun
pijnlijke lading, nooit in het Yesod/ego-bewustzijn opduiken, omdat ze
door ego-verdedigingsmechanismen worden tegengehouden.
Het pad van ‘Tsade’ geeft niet
enkel toegang tot Tiferet, maar tot heel de psyche, waardoor dat hele
domein van het onzichtbare en onbewuste ontsloten wordt : niet alleen de
schaduw kan alzo aan het licht treden, maar ook de inhoud van de hoger
gelegen triaden van de emotionele en conceptuele complexen =
stockageruimte van ervaringen die zich differentiëren in diverse complexen
van gevoelens en gedachten die zich groeperen rond de Sefirot, de
positieve rond Hesed, de negatieve rond Gevurah. De schaduw heeft de spirituele
functie van innerlijke tegenstander : het is het gekende duiveltje van
eenieder (het archetype van de schaduw is inderdaad de duivel), zoals we
ook allen een engeltje hebben - onze positieve en negatieve zijde. De schaduw en de persona. ‘De schaduw’ is de verborgen achterzijde van het ego, terwijl ‘de persona’ het vooraanzicht, het masker is waarmee het ego zich aan de buitenwereld presenteert in zijn omgang met de medemens. Tussen die twee is ook een
wisselwerking. Ook zal de schaduw ervoor zorgen
dat het masker van het ego, de persona gehandhaafd blijft. We hebben nu genoeg uitgewijd over de schaduw en kunnen thans het fenomeen ‘onder de loep nemen’ van de schaduw-wezens, die men ook de parasieten van de geest of traumageesten noemt. De traumageesten staan eigenlijk voor de trauma’s die in ons huizen en die een bron zijn van ziekte, ongeluk, angst en pijn. Wanneer iets traumatisch zich
voordoet in je leven en je persoonlijkheid niet sterk genoeg is dit als
een volledig (afgerond) deel van je eigen levensgeschiedenis te
accepteren, wijs je m.a.w. die traumatische ervaring in haar geheel af
door de herinnering te vervormen, waardoor voorkomen wordt dat de
herinnering een compleet geheel is = ‘verdringing’. Je snijdt eigenlijk een stuk van
jezelf dat goed is los van de aard van het kwaad in een hopeloze poging om
zo soelaas of redding te bekomen = ‘afsplitsing’. Je houdt jezelf op
afstand van het trauma en de ermee verbonden pijn of kwelling. De pijn, lijden of kwelling
verbonden met het trauma is echter zo wie zo in het celbewustzijn gegrift
(‘inprenting’ of ‘engram’). Ondanks alle voormelde vruchteloze pogingen
van de mens om de herinnering aan het trauma (en de ermee verbonden pijn)
te verbannen, herinnert het celbewustzijn het trauma zich wel en de pijn
blijft tot je die weet te genezen. Dit gat wordt - wanneer de pijn
sterk is en vele keren herhaald wordt - dan in bezit genomen door een
traumageest : die vestigt zich in dat gat, verborgen voor het
bewustzijn. De psyche neemt de traumageest
als een vreemd lichaam op, als iets dat niet van zichzelf is, dat steeds
opnieuw traumatische ervaringen creëert. Wanneer een mens een
traumatische ervaring afwijst, geeft hij zijn eigen macht, zijn EIGEN
LICHT op en pikt de traumageest de ermee verbonden energie in, die mens
verliest dus die energie. De mens verliest telkens energie
bij elke pijnlijke ervaring die hij afwijst. Daarom zorgen traumageesten
ervoor voortdurend steeds maar weer traumatische ervaringen en pijn te
genereren : zo blijven zij zich voortdurend ‘voeden’. De traumageesten vechten om je
aandacht, opdat die alleen bezet zou worden door de angst en/of de
depressie die ze veroorzaken. Zover mogen we het dus niet laten komen ! Om te genezen van trauma’s moet
men de eraan gekoppelde ervaringen afronden, anders blijven ze maar
terugkomen omdat er te veel herinneringsgewicht aan vast zit. De manier om genezing te vinden is de troebele, verstorende gevoelens direct of zuiver waar te nemen - vanuit de bewustzijnsstaat van het ‘Zelf’ -, er oog in oog mee te staan, alert en aandachtig in de gaten houden wat in je innerlijk plaats vindt, wat je eigenlijk probeert te vergeten te herinneren, daarmee concreet aan de slag gaan. Zo beschrijft iemand die door
dit genezingsproces gaat wat ze meemaakt : “Er kwam langzaam een gevoel
van verdriet naar boven uit mijn hart dat mijn borst vulde. Ik
registreerde het terwijl het opkwam. Op het moment dat het verdriet mijn
waarneming vulde, zag ik een beeld voor mijn geestesoog en voelde
pijn.” Maar door juist erover te praten, en meer precies door te herhalen welke emoties je exact voelt, kan je de laag welke die emoties dekt afpellen, zoals een laag van een ui, of anders gezegd, kan je ontlading bewerkstelligen, kan je de lading neutraliseren, en dus uiteindelijk hetgeen in je celbewustzijn als pijnlijke herinnering gegrift werd voorgoed uitwissen. Dat is dus de concrete werkwijze om dus laag na laag onverwerkte emoties af te pellen om uiteindelijk bij je eigen Godskern aan te belanden, zonder nog langer verborgen en afgescheiden ruimten, gaten in je psyche te hebben, zoals een Gruyère kaas, maar een psyche die één is, een mooi afgerond geheel is, zodat de volle energie van de oerbron van het Licht door je heen stroomt en je een stralend wezen bent. Zo kan je dan waarlijk zeggen : “Ik voel in mijn hele lichaam hoeveel minder angst er nu in huist en hoe vederlicht ik me voel. Ik ervaar me zelf als een sterker iemand. Het gevoel van ‘Zelf’ is veel meer aanwezig. Mijn hart vloeit over van een zoete, intense stromende sensatie”. Tenslotte, wil ik ‘in schoonheid eindigen’ met het sprookje van ‘Repelsteeltje’, een dwerg met de rol van duivelsfiguur, een ‘schaduw-wezen’ dat in ruil voor de levensenergie van de mens - in dit geval vertegenwoordigd door een KIND - de mens verleidt met wereldse rijkdom, met goud, die hem in de ban houden en hem alzo belet uit te groeien tot het groots wezen dat hij in werkelijkheid is. Het is het vergelijkbare thema
van de mens Faust die zijn ziel aan de duivel verkoopt. Ik laat het sprookje nu voor zich spreken. Er was eens een arme molenaar die een beeldschone dochter had. Nu gebeurde het dat hij ontboden werd bij de koning, en om zich belangrijk voor te doen, pochte de molenaar dat zijn dochter de gave had om uit stro goud te spinnen. De koning zei tegen de molenaar : “Dat is pas een talent, breng je dochter naar mijn paleis. Uit stro goud spinnen, dat wil ik wel eens zien.” Zo gezegd, zo gedaan. Hij liet haar een spinnewiel brengen en zei : “Begin maar en spin de hele nacht, want als je morgen, bij het aanbreken van de dag, al dit stro niet tot goud hebt gesponnen, moet je sterven.” En met die woorden sloot hij de deur en liet de molenaarsdochter alleen achter. Daar zat zij dan. Zij had natuurlijk niet het minste idee hoe zij in godsnaam in die opdracht moest slagen. Hoe meer de tijd vorderde, hoe banger zij werd, totdat zij in tranen uitbarstte en bitter begon te wenen. Toen, opeens en helemaal
onverwacht, stond daar een manneke, een soort dwerg, voor haar. En zij zei :”Ik weet niet hoe ik uit al dit stro goud moet spinnen.” “Wat geef je mij als ik het goud voor je spin ?” “Mijn halssnoer”, zei het meisje. “Afgesproken”, zei het manneke. Hij nam het halssnoer en begon te spinnen. En zie al het stro veranderde in repen flonkerend goud. Al bij het krieken van de dag
kwam de koning kijken. Hij sloot de molenaarsdochter opnieuw op, maar nu in een nog groter vertrek met nog meer stro. Andermaal was het meisje de
wanhoop nabij - want ook nu had de koning haar met de dood bedreigd als
zij niet slaagde - en opnieuw snelde het manneke haar te hulp. “Mijn ring”, zei zij. Hij nam de ring en begon opnieuw de hele nacht te spinnen, en zie, tegen de morgen lag het hele vertrek weer vol schitterend goud-gesponnen stro. De koning was verrukt bij het aanschouwen van zoveel rijkdom, maar nog had hij niet genoeg : zijn hebzucht was nog niet gestild. Hij bracht de molenaarsdochter in het grootste vertrek in zijn paleis dat hij had volgepropt met al het stro dat hij in zijn hele rijk nog kon vinden en zei : “Als je er nu ook in slaagt dit alles in goud te spinnen, dan trouwen we en wordt je mijn koningin.” Toen het meisje terug aan haar lot was overgelaten, kwam voor de derde keer het manneke te voorschijn. “Wat krijg ik nu voor mijn hulp”, vroeg hij. De molenaarsdochter wist dat zij nu gedoemd was : “Ik heb helemaal niks meer om weg te geven.” “Wel, beloof me dan”, zei het manneke sluw, “als je koningin wordt, je eerste kind te geven.” Het meisje dacht bij zichzelf : “Misschien word ik niet eens koningin en krijg ik evenmin een kind”, en omdat ze geen andere uitweg zag om haar leven te redden, beloofde ze het manneke wat hij wou, en terstond begon deze goud te spinnen uit de bergen stro die daar lagen. Tegen de morgen wreef de koning
in zijn handen, want alles was naar wens verlopen. Een jaar later bracht de
koningin een prachtig kind ter wereld. Maar plotseling stond hij daar
in haar slaapkamer en zei : De koningin was in alle staten en bood het manneke alle rijkdommen van het koninkrijk aan, als hij haar maar haar kind liet houden. Maar het manneke nam daar
natuurlijk geen genoegen mee : Daarop begon de koningin
radeloos te weeklagen en misbaar te maken. “Ik geef u drie dagen de tijd en als ge binnen drie dagen mijn naam weet te raden, moogt ge uw kind houden.” (moet ge uw belofte niet inlossen) De koningin bedacht de hele nacht alle mogelijke namen die ze ooit al had gehoord en ze stuurde er eveneens een boodschapper op uit om, wijd en zijd, nog meer namen te verzamelen. Toen het manneke de volgende dag
verscheen, begon ze alle namen op te noemen die ze bijeen gesprokkeld had,
maar geen enkele naam klopte. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Op de derde dag kwam de
boodschapper terug van zijn missie. En dat manneke had daarbij een liedje gezongen, en dat ging alzo : Ik bak en brouw met veel
plezier Ge kunt u niet inbeelden hoe dolgelukkig de koningin was, toen zij de naam ‘Repelsteeltje’ hoorde. En toen het manneke enige tijd
later opdaagde en vroeg : “Dat moet een boze geest je
verteld hebben”, schreeuwde het manneke stampvoetend van woede, en zo hard
stampte hij met zijn voet op de grond dat heel zijn rechter been diep in
de aarde verdween. En zo verdween het manneke even plotseling als hij gekomen was. De koning, de koningin en haar
kindje leefden nog lang en gelukkig,
Bibliografie 1) Z’ev ben Shimon Halevi, Psychology and Kabbalah, Samuel Weiser, 1999. 2) Ken Wilber, integrale psychologie, Ank-Hermes, 2001. 3) Olga Kharitidi, Meester van de dromen, A.W. Bruna, 2001. 4) Colin Wilson, De parasieten van de geest, Contact, 1971. 5) A.H. Almaas, De parel van Essentie, Altamira-Becht, 2000. 6) Carlos Castaneda, De actieve kant van oneindigheid, Servire, 1999. 7) Carlos Castaneda, Magische oefeningen, Servire, 1998. 8) Jamie Sams, De droom dansen, de zeven initiaties van geestelijke ontwikkeling, Servire, 1998. 9) Don Miguel Ruiz, Meesterschap in liefde, Ank-Hermes, 2001. 10) Don Miguel Ruiz, The four agreements, Amber-Allen, 1997.
|
||