...

Introductie

Activiteiten

Artikelen

BetEl

Boeken

Contact

Studie


Verpakt licht

Magda van der Ende

Kabbala

De joodse mystieke traditie, de kabbala, geeft antwoorden op de vraag 'wat is de mens?' die veelomvattend en dragend zijn. De kabbala geeft instrumenten om de ziel te ontdekken en te voeden. Het is een beproefd, niet confessioneel, objectief filosofisch systeem dat wijsheid en inzichten aanreikt, waarmee de mens, de wereld, en God in een heldere relatie tot elkaar gezet worden. Lichamelijkheid, de natuur, emoties, geestelijke ervaringen en het verstand krijgen een eigen plek in het geheel. Vaardigheden op alle niveaus worden aangesproken: denk na, voel, ervaar, observeer, analyseer, trek conclusies, met andere woorden: ga en leer!
Kabbala betekent 'ontvangen'. Het verwijst naar het ontvangen van de traditie die van leraar op leerling mondeling doorgegeven wordt en naar het ontvangen van directe kennis, zonder tussenkomst. Het weten zonder meer, waar niet aan te tornen valt, ook al gaat de hele wereld op zijn kop staan.
Kabbala is de aanduiding voor de joodse mystieke traditie. De mystieke kennis is ervaren, doorgegeven en verwoord binnen de joodse geloofstraditie en cultuur. Mystiek, afgeleid van het Griekse woord voor 'stil zijn', gaat scheidend denken te boven en is universeel. Mystici uit verschillende religieuze tradities verstaan elkaar onmiddellijk, ook al spreken ze een andere taal en komen ze uit een andere cultuur. Hun ervaringen hoeven niet afgegrensd te worden of opgeëist te worden als de ware. Dat hoort bij religieuze instituten, niet bij mystici. Joodse, christelijke of soefi mystiek wil zeggen, dat de mystiek in joodse, christelijke of moslimtermen is verwoord. Al die verschillende woorden, beelden, verhalen, zijn hulpmiddelen om dezelfde ervaringen te beschrijven en te duiden.

Het woord kabbala wordt in de twaalfde, dertiende eeuw voor het eerst gebruikt. Het is de tijd waarin in de Provence en Noord Spanje de Zohar samengesteld wordt, een van de klassieke werken van de kabbala. De Zohar (schittering) is een mystiek commentaar op de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse bijbel. In de vorm van gesprekken tussen rabbijnen en hun leerlingen worden bijbelteksten uitgelegd. Aan de hand van een psalmvers, een citaat uit Hooglied of uit Job worden de boeken Genesis tot en met Deuteronomium kabbalistisch verklaard. Regelmatig is er sprake van vervoering door de diepte van de uitleg. Er worden als het ware vensters geopend naar diepere lagen van de werkelijkheid. Het samen lezen, studeren doet de teksten oplichten, schitteren, en die glans raakt tot diep in de ziel. De waarde van historische gedeeltes van de bijbel of van bijbelse aanwijzingen voor juist menselijk gedrag wordt niet weggepoetst, maar er wordt een andere dimensie aan toe gevoegd: die van de begeestering, van de stilte achter de woorden.

De Zohar is niet het eerste klassieke werk. Er was al het Boek van Vorming, het Sefer Jetzira, waarvan tussen de tweede en zesde eeuw fragmenten gevonden werden. En nog later de Bahir (straling), dat voor het eerst in de twaalfde eeuw verscheen, maar al langer voorhanden was in verschillende manuscripten Van het begin van onze jaartelling stamt de merkawamystiek, de meditatietechniek van de psyche die als een voertuig opstijgt, naar analogie van het visioen van de profeet Ezechiël. Tijdens de bloeiperiode van de kabbala in Spanje maakt de inquisitie een einde aan de vruchtbare uitwisseling tussen joden, christenen en moslims aldaar. Safed in Noord Israël wordt het nieuwe centrum van de kabbala, met rabbijnen van naam als Cordovero, Alkabetz, Luria. Daarna volgt in de achttiende eeuw de periode van het Chassidisme, met de Baäl Sjem Tov, meester van de goede naam, als inspirator. In het midden van de vorige eeuw begint er een opleving van de belangstelling voor de kabbala. De klassieke werken worden opnieuw uitgegeven en van eigentijds commentaar voorzien.
Ook al komt het woord kabbala pas in de twaalfde eeuw voor, er is een element dat veel ouder is en dat is de figuur van de levensboom. De klassieke kabbalistische werken zijn zonder kennis van dit model niet te begrijpen. Het wordt van oudsher gebruikt om mystieke kennis over te dragen. De menora wordt gezien als het oudste gestileerde model van de levensboom. Het model wordt al benoemd door de joodse filosoof Philo van Alexandrië, die leefde rond het begin van onze jaartelling. Hij benoemt de verschillende sefirot, of kwaliteiten, die de levensboom vormen.

De levensboom

De term is, zoals de meeste termen uit de kabbala, ontleend aan de bijbel. In Genesis 1 wordt 'de boom des levens' vermeld. Er wordt ook wel gezegd 'ladder van Jacob', op basis van Genesis 28, waar Jacob een ladder op de aarde ziet staan die tot de hemel reikt en waarlangs wezens omhoog gaan en neerdalen. In het scheppingverhaal staat, dat God de mens schiep naar zijn beeld, naar zijn gelijkenis. In de traditie van de kabbala is dit 'beeld Gods' uitgewerkt tot het model van de levensboom. Er wordt als volgt gezegd: God was God en Al Een. Het Absolute Niets, het Absolute Al. God wenste God te zien. God trok zich samen en maakte een vacuüm, waarin het goddelijke licht instroomde. God reflecteerde zich als het ware als in een spiegel. De eerste reflectie van God wordt Adam Kadmon genoemd, de oer Adam, het oerbeeld van het goddelijke, nog dicht naast het goddelijke gelegen maar al uitgevloeid daaruit. Uit die eerste reflectie vloeit de tweede voort, de wereld van schepping, van de eindeloze mogelijkheden, van de mogelijkheid van dualiteit, van de wereld van de geest. Daaruit stroomt de wereld van de vormen, de Hof van Eden, het paradijs, waar mannelijk en vrouwelijk van elkaar gescheiden worden. De vierde en laatste uitvloeiing is die in de materie, de stof, het fysieke, de dichtste energie als eindstadium van het proces.
Zo onderscheidt de kabbalist vier verschillende werelden of lagen van bewustzijn. In andere woorden, van beneden naar boven: het lichaam, de psyche, de geest en het goddelijke.
Alles wat is bestaat uit deze lagen. Een weg van bewustwording en geestelijke groei houdt in dat je deze lagen in jezelf en in de wereld om je heen gaat zien. Zien betekent kennen, zijn. Een weg van realisatie gaan betekent in deze termen: in contact zijn met de vonk van goddelijk licht in jezelf. De omhullende verpakkingen van het oorspronkelijke licht zo transparant mogelijk maken is het doel van een scholingsweg. De kabbala gebruikt de levensboom als instrument tot zelfkennis, tot kennis van de wereld om je heen en van de relatie met God. Het is een middel, niet meer en niet minder. De essentie van de mens is dus verpakt licht. Het is te vergelijken met een juweel dat in een vatting gezet wordt.

Genesis en Exodus

Het boek Genesis verhaalt over de indaling van de mens tot in Egypte. Anders gezegd, de indaling van elke ziel in de stof. Het goddelijke licht wordt omhuld, ingepakt. Naarmate een mens door opvoeding en omgeving meer aangepast raakt aan de materie, krijgt de goddelijke vonk het benauwder. Door de geboorte van Mozes, een ontwakend bewustzijn, wordt de benauwdheid sterker ervaren. Op het moment dat de ziel, het volk, het uitschreeuwt van de inperkingen, is Mozes daar om het volk uit Egypte te leiden. In het leven van een individu kan dat gebeuren in de vorm van een ingrijpende, wakkerschuddende ervaring die duidelijk maakt dat er meer is tussen hemel en aarde dan de zorg voor je fysieke omgeving, meer dan alleen het vegetatieve leven. Op de levensboom wordt deze ervaring genoemd 'het gaan over de drempel van bewustwording'. Er is geen weg meer terug. Als je eenmaal weet, dan kun je wel proberen dat weg te duwen, maar vergeten zul je het nooit. Deze ervaring wordt in Exodus beschreven als de doortocht door de Rode zee. Na de doortocht, een sprong in bewustzijn, begint de spirituele training. Het leren van discipline staat centraal, evenals het leren vertrouwen op hulp. Op gezette tijden wordt er gerust; hemels voedsel, manna, ofwel spirituele voeding moet met mate genoten worden, omdat er tijd nodig is om het te verteren en eigen te maken. Schrokkenbrokken eten zichzelf een oordeel. Te veel ineens consumeren is zowel voor het lichaam als voor de geest niet goed. Het leidt tot onevenwichtigheid, in je lichaam, je psyche, of in je levensboom. Geestelijke training staat dus niet los van het dagelijks leven, het een beïnvloedt het ander.
Het boek Exodus beschrijft de evolutie van de mens, het teruggaan naar de oorsprong, het licht, het beloofde land. Waar Genesis als beschrijving van de indaling gezien wordt, wordt Exodus verstaan als de beschrijving van de opstijging, de terugkeer, de tesjoeva. De trainingsweg heeft als doel het zwaartepunt van de aandacht te verleggen van de materie naar de ziel. Dat is een ommekeer. Letterlijk. Elke keer als Mozes met God gesproken heeft op de berg, dan keert hij zich om om weer naar beneden, naar het wachtende volk (de lagere delen van de psyche) te gaan. Onze aandacht moet zich bewust afkeren van het materiële om zich te richten op de ziel, zodat zij zich kan richten op de Eeuwige. Het is dus van belang dat het lichaam rustig is. Terugkomend uit een meditatie of gebed richt je je aandacht weer bewust op de wereld om je heen, op je lichaam, de kamer waarin je zit, op andere mensen. Het gronden van de ervaringen is belangrijk, om ze te kunnen integreren in het dagelijks leven. Een veel gebruikte manier is het vertellen over wat er gebeurde tijdens de meditatie.

De wil is van belang om de aandacht te leren richten. In de verhalen over de woestijn, wordt met alle vallen en opstaan, de wil van het volk geoefend. Hoe zwaar en moeizaam dat is, wordt duidelijk doordat, op twee na, geen van de oorspronkelijke Hebreeërs, die weg trokken uit Egypte, het beloofde land bereikt. In psychologische termen wordt hier beschreven, dat je, om tot een toestand van verlichting te komen, alles wat je aan ballast bij je draagt, af moet leggen. Daar is bereidheid voor nodig, en een wilsbesluit. Jezus verwees hiernaar toen hij sprak over de moeite om door het oog van de naald te gaan. Zo nauw is de doorgang, dat je heel veel, zelfs alles, achter je moet laten. Voor iemand die in het bezit meent te zijn van veel kostbare verworvenheden is dat veel moeilijker dan voor iemand die 'arm van geest' is. Anders gezegd: per definitie kunnen gedachten, beelden, emotionele complexen niet door het oog van de naald, omdat het de toegang tot de wereld van de geest is, een wereld waar geen scheiding is, geen dualiteit, maar ongedeelde stilte, rust.

De kabbala gebruikt de levensboom als oermodel voor al wat is. Het wordt wel het kosmisch DNA genoemd. De mens is geschapen naar Gods beeld, en vormt een eigen levensboom. Een boom kan scheef groeien, er ontstaan noesten, littekens van afgebroken takken. Een boom kan in de loop van het leven uit balans raken. Het steeds maar uit balans blijven kost veel energie, het betekent lijden. Soms is een chirurgische ingreep nodig om de scheefgroei tegen te gaan. Dat kan gebeuren door een schokkende gebeurtenis, door het beleven van diepe vreugde of diep verdriet, door het zien, heel even, van een dooraderde hand, door de stilte in een bos, door een golf van herkenning door één zin in een boek. Of door een flits van helder inzicht. Zulke ervaringen geven de moed om een nieuwe draai aan het leven te geven. Kennis van de werking van de levensboom kan ondersteunend zijn in het zien en helen van de eigen scheefgroei. Door oefeningen en meditaties aan de hand van de levensboom kan er inzicht verkregen worden in het eigen functioneren.

Net als bij andere scholingswegen, wordt er in de traditie van de kabbala in groepen gewerkt. Wat er in een groep gebeurt, kan werken als een spiegel van de eigen ziel. Begeleiding door een leraar kan de zich ontwikkelende mens behoeden voor uitglijders. Iemand kan er voor gewaarschuwd worden een enkele mooie ervaring te verabsoluteren. Een glimp van het licht zien kan leiden tot spirituele arrogantie. Een leraar kan een dergelijke ervaring duiden en op waarde schatten. Soms is de ervaring te gekleurd door eigen wensdromen om van meer dan persoonlijk belang te zijn. Een andere keer blijft iemand in 'het voelt zo goed' hangen. Dat is mooi, maar dat is het doel niet van al het innerlijk werk.

Het ervaren en kennen van de ziel is geen doel op zich. Het is van belang om een individu, letterlijk een 'ongedeeld' mens, te worden, ofwel: een mens uit één stuk dat met de wil de psychische bewegingen aan kan sturen. Een mens uit één stuk dat verantwoordelijkheidvoor het eigen leven neemt, en niet uit is op macht of op voortdurend slachtofferschap of wat dan ook.

Wat is de mens?

God wenst God te zien. De mens is in deze traditie de partner van God. De mens kan als het ware God tegemoet komen door de eigen afdruk van Gods beeld zo helder en zuiver mogelijk te maken. Hoe lichter de verpakking, des te meer reflecteren we het licht dat in ons verborgen ligt. God kijkt door onze ogen. De mens is de lens waardoor God kijkt. Hoe scherper de mens gefocussed is, des te scherper ziet God.
Deze beelden en verhalen leggen een grote verantwoordelijkheid bij de mens. De mens draagt een enorme potentie in zich. Door de vrije wil kunnen we die ten goede en ten kwade gebruiken. Dat is aan ons. De beelden drukken ons met de neus op de werkelijkheid: wat we doen en laten komt er op aan. We kunnen onze kracht onderschatten en ook overschatten. De kabbala helpt om het bewuste midden te zoeken, vooral door het leren richten op de Ene. De Ene, die in alles is.

Dit artikel verscheen in het Dabar bericht 3.2004



Door de psyche heen naar de 'parel van essentie' - integrale psychologie en Kabbalah

Bart Carmeliet

Beste toehoorders, Gezellen van het Licht,

Zoals sommigen onder u wellicht weten, ben ik in het gewone, alledaagse leven jurist, een man van het recht die ijvert voor rechtvaardigheid - ‘het recht op een vaardige wijze uitoefenen’ -, binnen het juiste evenwicht tussen Gevurah (Gestrengheid) en Hesed (Mededogen), in verbinding met Tiferet (Waarheid) : vanuit de zieletriade begeesterd leven.

Zo werd me telkenmale in meditaties het inzicht aangereikt dat vertrouwen (Hesed) en moed (Gevurah) de sleutelwoorden zijn voor een spiritueel doordrenkte levenswijze : de sleutels die de toegang voor de psyche ontsluiten tot Tiferet - ‘DE PAREL VAN ESSENTIE’ (De ‘parel van onschatbare waarde’) en - zoals we deze voormiddag konden ervaren - kan men van daaruit verder via een VERTICALE ZUIL VAN LICHT ‘vervoerd’ worden tot het ultieme Licht van Ein Sof Or.

Zo ziet men dat meditaties echte ‘eye openers’ zijn, waardoor met het sterke oog (‘the strong eye’) van de ziener kan geschouwd worden.

Zo kreeg ik zeer onlangs nog in een meditatie volgende inspiratie door :

“De psyche is een wonderlijk raderwerk in verbinding met Mijn Majesteit (d.i. de Goddelijke Majesteit van het Licht van Ein Sof Or). Vertrouwen is alles wat een mens nodig heeft. Het is een alomvattend vermogen en het is daarvan dat de mens moet gebruik maken, niet van zijn verstand - want dat is te beperkt.”

Vertrouwen is een brug : ‘de brug van vertrouwen’.
In eerste instantie ‘de regenboogbrug’ tussen Yesod en Tiferet, en vandaar voert de brug doorheen Daat in het Huis van de Geest via een VERTICALE ZUIL VAN LICHT van pure atoomenergie - tegelijkertijd weldadig en ontzagwekkend - rechtstreeks de verbinding verzekerend met het Licht, de Oerbron van Leven.

Inderdaad, diep in het onbewuste, heeft elk individu (via Daat van psyche) contact met de spirituele dimensie en verder.
Het is waarlijk zo dat de Goddelijke Vonk die door de Geest bevat wordt, de psyche bezielt die op zijn beurt in de tempel van het lichaam huist.
In de Keter (de top) van psyche is de Goddelijke verbinding van de mens, de plaats waar de drie hogere werelden elkaar ontmoeten. Men kan dus in waarheid zeggen dat het Goddelijke Licht de Oerbron is van ons leven en de Voorzienigheid over ons heil waakt.

Vertrouwen is de brug.
Moed is de wilskracht van de mens die aanhaakt op de brug van vertrouwen. De menselijke wilskracht verbindt zich met de Godskracht (de kracht van de Wil van God) waardoor de mens zijn eigen licht, zijn ware potentie kan realiseren.

Maar daarvoor moet de mens eerst de moed opbrengen om door de zwarte, duistere lagen heen te boren van zijn schaduw.

In dit verband werd mij, eveneens via een meditatie, het waardevolle inzicht aangereikt om de verticale zuil van licht (die voert naar het Licht van Ein Sof Or) horizontaal aan te wenden - zoals een laserstraal - bij het doorboren van de duistere, zoals in een ui opeenliggende lagen van de schaduw, totdat je uiteindelijk bij je Godskern uitkomt, waardoor je licht volop kan schijnen en je ware talenten - die bij de meeste mensen sluimeren - ten volle kunnen ontplooien.
Een WEELDE is het dan dat zich openbaart, zowel innerlijk als uiterlijk.

Dit alles is zeer persoonlijk te duiden, want ikzelf ben nu volop bezig met ‘regressie’ als blootleggingstechniek van de schaduw. De ervaringen die ik daardoor meemaak zijn intens en diepdoordringend.
Vooral leer ik de moed op te brengen - in alle vertrouwen dat wat gebeurt moet gebeuren - door mijn zwarte, zware kanten van mijn persoonlijkheid, mijn ‘ego’ of Yesod, te gaan, de onverwerkte verborgen emoties of zelfs traumatische ervaringen (van dit leven of van vorige levens) te gaan die een mens als een zware rugzak - in zijn celgeheugen verankerd - meesleurt.

Dit alles aanpakken en overwinnen is een serieuze, niet te onderschatten uitdaging die alle krachten in je mobiliseert om toch maar door te gaan, in het besef dat het unieke dat de mens te zijner beschikking staat - nl. zijn licht - uiteindelijk zal doorbreken.
Dat de mens over goddelijke gaven beschikt wordt al te zeer onderschat.
Zoals een boom een geleider is van de hogere lichtkrachten, zo is ieder wezen, en zeker de mens, een geleider voor de verspreiding van het Licht.

Nelson Mandela heeft overmaat van gelijk door te verkondigen dat een mens in feite bang is van zijn eigen licht, omdat de mens, enerzijds, de moed moet opbrengen ‘aan den lijve’ de confrontatie aan te gaan met al te levensechte, bezwarende emoties - waarvan hij alleen maar wil weghollen omdat ze te ‘confronterend’ zijn - en, anderzijds, omdat dit eigen licht van een totaal andere dimensie en totaal andere kracht is die een doorsnee massa-mens zich moeilijk kan voorstellen, men schrikt er eigenlijk voor terug.

In zijn inaugurale rede van 1994 sprak Nelson Mandela de volgende woorden uit :

“Onze diepste angst is niet dat we ontoereikend zijn.

Onze diepste angst is dat we oneindig krachtig zijn.

Het is ONS LICHT, niet onze duisternis, waar we het allerbangst voor zijn.

We vragen ons af : wie ben ik dat ik briljant, buitengewoon aantrekkelijk, getalenteerd en geweldig zou zijn ?

Maar waarom eigenlijk niet ? Je bent toch een kind van God ?
Dat je je kleiner voordoet dan je bent, komt de wereld niet ten goede.

Er is niets verheffends aan je kleiner voor te doen dan je bent,
omdat de mensen om je heen zich vooral niet onzeker gaan voelen.

Wij zijn geboren om de luister van God uit te dragen die in ons woont.
Niet slechts in enkelen van ons, maar in ons allemaal.

Als wij ONS LICHT laten schijnen,
geven wij anderen onbewust toestemming dat ook te doen.

Als wij bevrijd zijn van onze eigen angst,
Bevrijdt onze aanwezigheid automatisch de anderen.”

De inspiratie die mij zeer onlangs werd ingeblazen sluit hierbij wonderwel goed aan :

“De mens moet van de onderschatting van zijn EIGEN LICHT af geraken, want dit houdt hem klein als een lilliputterje en verhindert hem uit te groeien tot de grootse geest die hij behoort te zijn en in feite is.

Het duistere hindert hem al te zeer.

De mens moet doordringen in het duistere;
het liefdevol, met veel mededogen, omhelzen en het ontladen, de zware lading eraf pellen.

Hij wordt er meteen door verlicht.

Het duistere wordt alzo - wanneer men erin doordringt - de aanwijzer van de grootsheid van de mens, van zijn Goddelijke oorsprong en potentie.

Denk aan de doordringende ZUIL VAN LICHT.”

En ik kreeg op het einde van mijn meditatie nog de doorzinderende boodschap :

“Een mens is een groots wezen : er worden van hem grootse dingen verwacht.

Het is dan toch maar een kleine - maar niet te onderschatten - inspanning om door de duistere lagen heen te boren.

Ik help je toch de hele tijd.

Vertrouw toch op Mij, want ik wil ‘gerealiseerd’ worden :
je weet welŠde Spiegel.

Mij is het evenzeer erom gelegen al het jij om jezelf gelegen is.
Wij hebben een gelijklopend profiel.

De mens is mijn speerpunt : dit mag niet bot en krachteloos zijn.
Doe er iets aan : maak het scherp en krachtig
en steek de anderen ermee aan.
Zij moeten ook aanscherpen.

Overtuig hen van HUN LICHT.

Te samen zijn we onoverwinnelijk.”

Om dus niet bot en krachteloos te zijn, maar integendeel scherp en krachtig, moet men de uitdaging aangaan en de confrontatie met je eigen schaduw en met de duistere wezens die ons belagen en testen als we doordringen in de schaduw-wereld.

Eerst en vooral ‘de schaduw’.

Het pad dat loopt van Yesod naar Tiferet (van het ‘ego’ naar het ‘Zelf’) is het pad van de ‘Zadek’ : het pad dat de rechtschapen mens gaat.

Dit pad wordt aangeduid met het Hebreeuwse woord ‘Tsade’, dat naast de gebruikelijke vertaling ‘rechtschapenheid’, ook de betekenis heeft van ‘degene die op de loer ligt’, waarmee men uiteraard de schaduw bedoelt, de duistere, sinistere zijde van de psyche, een gemene vijand, die opzettelijk het 'Zelf’ verduistert - zoals bij een zonne-eclips de maan de zon verduistert -, om te beletten dat het ‘ego’ (Yesod) de verbinding aangaat met het ‘Zelf’ (Tiferet).

De schaduw bevat eigenlijk wat door het Yesod/ego-bewustzijn onderdrukt is als onaanvaardbaar, wat nochtans keer op keer tevoorschijn komt in onbewust gedrag. Ondanks de onderdrukking, is de invloed dus onmiskenbaar. Dat kan ook niet anders, als men weet dat men met een archetype te maken heeft.

Hetgeen onderdrukt wordt zijn erg onplezierige, negatieve, zelfs traumatische ervaringen die, gezien hun pijnlijke lading, nooit in het Yesod/ego-bewustzijn opduiken, omdat ze door ego-verdedigingsmechanismen worden tegengehouden.
Verdedigingsmechanismen die deze ervaringen zodanig in het onbewuste houden dat enkel een hevige schok of een diep onderzoek in de psyche (zoals met regressie), hun aanwezigheid aan het licht kan brengen.
Wanneer die ervaringen alzo aan het licht van het bewustzijn blootgesteld worden - waardoor dus het onbewuste bewust wordt gemaakt - kan de lading ervan op een bepaalde manier geneutraliseerd worden en alzo geïntegreerd worden in de psyche.

Het pad van ‘Tsade’ geeft niet enkel toegang tot Tiferet, maar tot heel de psyche, waardoor dat hele domein van het onzichtbare en onbewuste ontsloten wordt : niet alleen de schaduw kan alzo aan het licht treden, maar ook de inhoud van de hoger gelegen triaden van de emotionele en conceptuele complexen = stockageruimte van ervaringen die zich differentiëren in diverse complexen van gevoelens en gedachten die zich groeperen rond de Sefirot, de positieve rond Hesed, de negatieve rond Gevurah.
Elk van de Sefirot, triaden of paden kunnen slecht functioneren en een negatief of demonisch effect teweegbrengen.

De schaduw heeft de spirituele functie van innerlijke tegenstander : het is het gekende duiveltje van eenieder (het archetype van de schaduw is inderdaad de duivel), zoals we ook allen een engeltje hebben - onze positieve en negatieve zijde.
Dit duiveltje test het goede in een individu, schat dit op waarde, om na te gaan of de psyche voldoende uitgezuiverd is, goed geïntegreerd en in evenwicht is , zodat men hogerop mag in spirituele ontwikkeling.
Satan, de ‘Tester’ patrouilleert op de centrale zuil om te beletten dat iets afwijkends voorbij Yesod van het ‘ego’ geraakt tot bij het ‘Zelf’ van Tiferet (en verderop).

De schaduw en de persona.

‘De schaduw’ is de verborgen achterzijde van het ego, terwijl ‘de persona’ het vooraanzicht, het masker is waarmee het ego zich aan de buitenwereld presenteert in zijn omgang met de medemens.

Tussen die twee is ook een wisselwerking.
Inderdaad, als met het pad opgaat van Yesod naar Tiferet, dan maakt men de schaduw wakker die dit opvat als een bedreiging van zijn macht en die dus alles in het werk zal stellen om die bedreiging ongedaan te maken.

Ook zal de schaduw ervoor zorgen dat het masker van het ego, de persona gehandhaafd blijft.
De persona schermt dan weer op haar beurt de schaduwzijde af van het ego.
Dit mechanisme verhindert dus dat een individu de beschikking krijgt over zijn volledige potentieel, over zijn VOLLE LICHT.

We hebben nu genoeg uitgewijd over de schaduw en kunnen thans het fenomeen ‘onder de loep nemen’ van de schaduw-wezens, die men ook de parasieten van de geest of traumageesten noemt.

De traumageesten staan eigenlijk voor de trauma’s die in ons huizen en die een bron zijn van ziekte, ongeluk, angst en pijn.

Wanneer iets traumatisch zich voordoet in je leven en je persoonlijkheid niet sterk genoeg is dit als een volledig (afgerond) deel van je eigen levensgeschiedenis te accepteren, wijs je m.a.w. die traumatische ervaring in haar geheel af door de herinnering te vervormen, waardoor voorkomen wordt dat de herinnering een compleet geheel is = ‘verdringing’.
Je creëert daardoor een zwart gat in je herinnering en daarmee een gat in je psyche.
Dat traumagat bestaat dan uit op zichzelf staande ervaringen die ‘een eigen leven beginnen te leiden’ binnen je psyche.

Je snijdt eigenlijk een stuk van jezelf dat goed is los van de aard van het kwaad in een hopeloze poging om zo soelaas of redding te bekomen = ‘afsplitsing’. Je houdt jezelf op afstand van het trauma en de ermee verbonden pijn of kwelling.
Maar zo geeft een mens zijn eigen macht, zijn EIGEN LICHT op. Zijn lichtbron wordt ten lange laatste uitgeschakeld.
I.p.v. moed en vertrouwen, doordat men in rechtstreekse verbinding staat met de ultieme Bron van Licht, nemen alzo lagere gevoelens, zoals angst en/of depressie, de overhand.

De pijn, lijden of kwelling verbonden met het trauma is echter zo wie zo in het celbewustzijn gegrift (‘inprenting’ of ‘engram’). Ondanks alle voormelde vruchteloze pogingen van de mens om de herinnering aan het trauma (en de ermee verbonden pijn) te verbannen, herinnert het celbewustzijn het trauma zich wel en de pijn blijft tot je die weet te genezen.
Als je weigert te erkennen dat dit in je blijft leven als een deel van jezelf is, blijf je lijden.

Dit gat wordt - wanneer de pijn sterk is en vele keren herhaald wordt - dan in bezit genomen door een traumageest : die vestigt zich in dat gat, verborgen voor het bewustzijn.
Het gat in de psyche is een zetel geworden voor een traumageest om zich in te verankeren en te groeien (in kracht), waardoor die te langen laatste de macht overneemt en de mens gaat overheersen = ‘bezetenheid’ : “je hebt niet langer een complex, het complex heeft jou”.

De psyche neemt de traumageest als een vreemd lichaam op, als iets dat niet van zichzelf is, dat steeds opnieuw traumatische ervaringen creëert.
Het is alsof een ‘andere ik’ in je woont waarvan je je niet bewust bent.
Er ontstaat een pijnlijke knoop in je psyche (in de dynamica van je leven) en als er zo meerdere pijnlijke, traumatische knopen ontstaan, wordt je psyche behoorlijk verward, geraakt het verstrikt in bepaalde gevoelens en overtuigingen en wordt machteloos.

Wanneer een mens een traumatische ervaring afwijst, geeft hij zijn eigen macht, zijn EIGEN LICHT op en pikt de traumageest de ermee verbonden energie in, die mens verliest dus die energie.
De traumageest ‘voedt’ zich hiermee.
Vandaar dat het ook ‘parasiet van de geest’ genoemd wordt : een traumageest parasiteert op de levensenergie van de mens.

De mens verliest telkens energie bij elke pijnlijke ervaring die hij afwijst. Daarom zorgen traumageesten ervoor voortdurend steeds maar weer traumatische ervaringen en pijn te genereren : zo blijven zij zich voortdurend ‘voeden’.
Ze helpen zelfs de mens die in hun ban is, uitvluchten te zoeken om zijn traumatische ervaringen niet in het volle daglicht te hoeven te aanschouwen, zodat ze derhalve zelf niet kunnen ontdekt worden en bestreden.

De traumageesten vechten om je aandacht, opdat die alleen bezet zou worden door de angst en/of de depressie die ze veroorzaken.
Ze beconcurreren dus alle gaven die een mens heeft, die ze proberen te stelen en te vernietigen. De pijnlijke knopen in ons zullen inderdaad mettertijd verstenen en ons alzo beroven van onze echte gaven.

Zover mogen we het dus niet laten komen !

Om te genezen van trauma’s moet men de eraan gekoppelde ervaringen afronden, anders blijven ze maar terugkomen omdat er te veel herinneringsgewicht aan vast zit.
Om een traumatische ervaring af te ronden, moet men letterlijk door de ervaring gaan, er doorheen boren met een laser-straal van licht.
Als men door de ervaring gaat, komen emoties en beelden uit het niets op, die je opnieuw confronteren. I.p.v. nu ervan weg te rennen, neem je de uitdaging aan er zeer concreet doorheen te gaan alsof het zich in het heden afspeelt.

De manier om genezing te vinden is de troebele, verstorende gevoelens direct of zuiver waar te nemen - vanuit de bewustzijnsstaat van het ‘Zelf’ -, er oog in oog mee te staan, alert en aandachtig in de gaten houden wat in je innerlijk plaats vindt, wat je eigenlijk probeert te vergeten te herinneren, daarmee concreet aan de slag gaan.

Zo beschrijft iemand die door dit genezingsproces gaat wat ze meemaakt : “Er kwam langzaam een gevoel van verdriet naar boven uit mijn hart dat mijn borst vulde. Ik registreerde het terwijl het opkwam. Op het moment dat het verdriet mijn waarneming vulde, zag ik een beeld voor mijn geestesoog en voelde pijn.”
Het is inderdaad moeilijk te praten over wat eens pijn heeft veroorzaakt, want elke terugkeer (‘regressie’) naar die herinnering maakt de pijn net zo actueel en ondraaglijk als daarvoor.

Maar door juist erover te praten, en meer precies door te herhalen welke emoties je exact voelt, kan je de laag welke die emoties dekt afpellen, zoals een laag van een ui, of anders gezegd, kan je ontlading bewerkstelligen, kan je de lading neutraliseren, en dus uiteindelijk hetgeen in je celbewustzijn als pijnlijke herinnering gegrift werd voorgoed uitwissen.

Dat is dus de concrete werkwijze om dus laag na laag onverwerkte emoties af te pellen om uiteindelijk bij je eigen Godskern aan te belanden, zonder nog langer verborgen en afgescheiden ruimten, gaten in je psyche te hebben, zoals een Gruyère kaas, maar een psyche die één is, een mooi afgerond geheel is, zodat de volle energie van de oerbron van het Licht door je heen stroomt en je een stralend wezen bent.

Zo kan je dan waarlijk zeggen : “Ik voel in mijn hele lichaam hoeveel minder angst er nu in huist en hoe vederlicht ik me voel. Ik ervaar me zelf als een sterker iemand. Het gevoel van ‘Zelf’ is veel meer aanwezig. Mijn hart vloeit over van een zoete, intense stromende sensatie”.

Tenslotte, wil ik ‘in schoonheid eindigen’ met het sprookje van ‘Repelsteeltje’, een dwerg met de rol van duivelsfiguur, een ‘schaduw-wezen’ dat in ruil voor de levensenergie van de mens - in dit geval vertegenwoordigd door een KIND - de mens verleidt met wereldse rijkdom, met goud, die hem in de ban houden en hem alzo belet uit te groeien tot het groots wezen dat hij in werkelijkheid is.

Het is het vergelijkbare thema van de mens Faust die zijn ziel aan de duivel verkoopt.
De mens - in het sprookje vertegenwoordigd door een molenaarsdochter - krijgt nog wel een laatste kans om zijn heelheid, zijn LICHT terug te winnen, op voorwaarde dat hij het duistere in zich weet te overwinnen, het duistere leert te beheersen door het te benoemen, in de ogen te kijken, te confronteren en te ontladen en zo machteloos te maken.
Zo moet in het sprookje de molenaarsdochter de belofte die zij heeft gedaan niet inlossen, op voorwaarde dat zij de naam van de dwerg weet te raden.

Ik laat het sprookje nu voor zich spreken.

Er was eens een arme molenaar die een beeldschone dochter had.

Nu gebeurde het dat hij ontboden werd bij de koning, en om zich belangrijk voor te doen, pochte de molenaar dat zijn dochter de gave had om uit stro goud te spinnen.

De koning zei tegen de molenaar : “Dat is pas een talent, breng je dochter naar mijn paleis. Uit stro goud spinnen, dat wil ik wel eens zien.”

Zo gezegd, zo gedaan.
De volgende dag stond daar de molenaarsdochter en de koning bracht haar naar een vertrek dat hij had laten volstouwen met stro.

Hij liet haar een spinnewiel brengen en zei : “Begin maar en spin de hele nacht, want als je morgen, bij het aanbreken van de dag, al dit stro niet tot goud hebt gesponnen, moet je sterven.”

En met die woorden sloot hij de deur en liet de molenaarsdochter alleen achter.

Daar zat zij dan. Zij had natuurlijk niet het minste idee hoe zij in godsnaam in die opdracht moest slagen. Hoe meer de tijd vorderde, hoe banger zij werd, totdat zij in tranen uitbarstte en bitter begon te wenen.

Toen, opeens en helemaal onverwacht, stond daar een manneke, een soort dwerg, voor haar.
Dat manneke vroeg haar : “Waarom ben je zo aan het wenen ?”

En zij zei :”Ik weet niet hoe ik uit al dit stro goud moet spinnen.”

“Wat geef je mij als ik het goud voor je spin ?”

“Mijn halssnoer”, zei het meisje.

“Afgesproken”, zei het manneke.

Hij nam het halssnoer en begon te spinnen. En zie al het stro veranderde in repen flonkerend goud.

Al bij het krieken van de dag kwam de koning kijken.
Hij was uiterst verwonderd en zeer tevreden, maar door het zien van al dat goud werd zijn hebzucht alleen maar aangewakkerd.

Hij sloot de molenaarsdochter opnieuw op, maar nu in een nog groter vertrek met nog meer stro.

Andermaal was het meisje de wanhoop nabij - want ook nu had de koning haar met de dood bedreigd als zij niet slaagde - en opnieuw snelde het manneke haar te hulp.
“Wat krijg ik nu ?”, vroeg deze.

“Mijn ring”, zei zij.

Hij nam de ring en begon opnieuw de hele nacht te spinnen, en zie, tegen de morgen lag het hele vertrek weer vol schitterend goud-gesponnen stro.

De koning was verrukt bij het aanschouwen van zoveel rijkdom, maar nog had hij niet genoeg : zijn hebzucht was nog niet gestild.

Hij bracht de molenaarsdochter in het grootste vertrek in zijn paleis dat hij had volgepropt met al het stro dat hij in zijn hele rijk nog kon vinden en zei : “Als je er nu ook in slaagt dit alles in goud te spinnen, dan trouwen we en wordt je mijn koningin.”

Toen het meisje terug aan haar lot was overgelaten, kwam voor de derde keer het manneke te voorschijn.

“Wat krijg ik nu voor mijn hulp”, vroeg hij.

De molenaarsdochter wist dat zij nu gedoemd was : “Ik heb helemaal niks meer om weg te geven.”

“Wel, beloof me dan”, zei het manneke sluw, “als je koningin wordt, je eerste kind te geven.”

Het meisje dacht bij zichzelf : “Misschien word ik niet eens koningin en krijg ik evenmin een kind”, en omdat ze geen andere uitweg zag om haar leven te redden, beloofde ze het manneke wat hij wou, en terstond begon deze goud te spinnen uit de bergen stro die daar lagen.

Tegen de morgen wreef de koning in zijn handen, want alles was naar wens verlopen.
Hij trouwde met de molenaarsdochter die koningin werd.

Een jaar later bracht de koningin een prachtig kind ter wereld.
Het manneke was intussen volledig uit haar gedachten gegaan.

Maar plotseling stond hij daar in haar slaapkamer en zei :
“Ik kom halen wat je mij beloofd hebt.”

De koningin was in alle staten en bood het manneke alle rijkdommen van het koninkrijk aan, als hij haar maar haar kind liet houden.

Maar het manneke nam daar natuurlijk geen genoegen mee :
“Een levend kind is mij dierbaarder dan alle wereldse rijkdommen.”

Daarop begon de koningin radeloos te weeklagen en misbaar te maken.
En het manneke scheen medelijden met haar te hebben, want hij zei :

“Ik geef u drie dagen de tijd en als ge binnen drie dagen mijn naam weet te raden, moogt ge uw kind houden.” (moet ge uw belofte niet inlossen)

De koningin bedacht de hele nacht alle mogelijke namen die ze ooit al had gehoord en ze stuurde er eveneens een boodschapper op uit om, wijd en zijd, nog meer namen te verzamelen.

Toen het manneke de volgende dag verscheen, begon ze alle namen op te noemen die ze bijeen gesprokkeld had, maar geen enkele naam klopte.
De tweede dag van het zelfde, weer niks.

Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij.

Op de derde dag kwam de boodschapper terug van zijn missie.
Hij zei dat hij geen nieuwe namen had kunnen vinden, maar wel had hij op een hoge berg aan het eind van een dicht woud een klein huisje ontdekt en voor dat huisje had hij een klein grotesk manneke voor een vuur een vreugdedans zien doen, rondhuppelend op één been.

En dat manneke had daarbij een liedje gezongen, en dat ging alzo :

Ik bak en brouw met veel plezier
want morgen is het koningskindje hier.
Wat een geluk dat niemand weet
dat ik Repelsteeltje heet.

Ge kunt u niet inbeelden hoe dolgelukkig de koningin was, toen zij de naam ‘Repelsteeltje’ hoorde.

En toen het manneke enige tijd later opdaagde en vroeg :
“Wel, koningin, wat is nu mijn naam ?”, zei zij eerst : “Conrad, Harry.”
En dan : “Of is het misschien Repelsteeltje ?”

“Dat moet een boze geest je verteld hebben”, schreeuwde het manneke stampvoetend van woede, en zo hard stampte hij met zijn voet op de grond dat heel zijn rechter been diep in de aarde verdween.
En in zijn razernij rukte hij met beide handen zo hard aan zijn linker been dat hij zichzelf in tweeën scheurde.

En zo verdween het manneke even plotseling als hij gekomen was.

De koning, de koningin en haar kindje leefden nog lang en gelukkig,
en toen kwam een varkentje met een lange snuit en blies het sprookje uit...

 

Bibliografie

1) Z’ev ben Shimon Halevi, Psychology and Kabbalah, Samuel Weiser, 1999.

2) Ken Wilber, integrale psychologie, Ank-Hermes, 2001.

3) Olga Kharitidi, Meester van de dromen, A.W. Bruna, 2001.

4) Colin Wilson, De parasieten van de geest, Contact, 1971.

5) A.H. Almaas, De parel van Essentie, Altamira-Becht, 2000.

6) Carlos Castaneda, De actieve kant van oneindigheid, Servire, 1999.

7) Carlos Castaneda, Magische oefeningen, Servire, 1998.

8) Jamie Sams, De droom dansen, de zeven initiaties van geestelijke ontwikkeling, Servire, 1998.

9) Don Miguel Ruiz, Meesterschap in liefde, Ank-Hermes, 2001.

10) Don Miguel Ruiz, The four agreements, Amber-Allen, 1997.

top